De tafel van 1
Elke uitkomst is hetzelfde getal als waarmee je begint. Gebruik de tafel van 1 om rustig de vermenigvuldiging te herkennen.
Voorbeeld: 1 × 7 = 7
Wiskunde · leerjaar 2 en 3
Maaltafels leer je niet in één lange zit. Korte oefenmomenten geven je kind de tijd om patronen te herkennen, antwoorden op te halen uit het geheugen en vertrouwen op te bouwen. Begin met tafels die al vertrouwd voelen en voeg telkens één nieuwe tafel toe. Hieronder vind je een aanpak voor thuis en een korte uitleg bij elke tafel.
Kies drie of vier dagen per week een moment van vijf tot tien minuten. Stop terwijl je kind nog aandacht heeft; een korte, prettige herhaling werkt vaak beter dan een halfuur volhouden. Start met tellen in sprongen en sommen die lukken. Oefen daarna twee of drie moeilijke sommen, en eindig met iets dat vlot gaat. Vraag hoe je kind de uitkomst vond. Met blokjes, knopen of fruit kan je voorwerpen in gelijke aantallen verdelen en zien wat vermenigvuldigen betekent.
Een mogelijke volgorde is 1, 2, 5 en 10, daarna 3 en 4, vervolgens 6 en 8, en tot slot 7 en 9. Pas die volgorde gerust aan: een kind dat de tafel van 4 al kent, kan die gebruiken om de tafel van 8 te ontdekken. Oefen delen meteen mee als omgekeerde vermenigvuldiging: als 4 × 6 = 24, dan is 24 gedeeld door 6 gelijk aan 4. Bij een fout helpt het om samen de stapjes te benoemen, zonder haast of straf.
Elke uitkomst is hetzelfde getal als waarmee je begint. Gebruik de tafel van 1 om rustig de vermenigvuldiging te herkennen.
Voorbeeld: 1 × 7 = 7
Tel telkens twee verder. Een rij voorwerpen in tweetallen maakt de sprongen zichtbaar.
Voorbeeld: 2 × 6 = 12
Oefen in sprongen van drie en zeg de rij hardop. Dat helpt om de volgorde te onthouden.
Voorbeeld: 3 × 4 = 12
Verdubbel eerst en verdubbel daarna nog eens. Zo kan je de tafel koppelen aan wat je al weet.
Voorbeeld: 4 × 6 = 24
De uitkomsten eindigen op 0 of 5. Wissel even en oneven aantallen af.
Voorbeeld: 5 × 7 = 35
Bouw verder op de tafel van 3: verdubbel de uitkomst van 3 × hetzelfde getal.
Voorbeeld: 6 × 4 = 24
Verdeel moeilijke sommen in bekende stukken, bijvoorbeeld vijf keer zes en nog twee keer zes.
Voorbeeld: 7 × 6 = 5 × 6 + 2 × 6 = 42
Verdubbel de tafel van 4. Teken desnoods de aantallen om te zien waarom de uitkomst klopt.
Voorbeeld: 8 × 3 = 4 × 3 + 4 × 3 = 24
Denk aan tien keer hetzelfde getal en haal er één keer af. Controleer daarna met een omgekeerde deling.
Voorbeeld: 9 × 4 = 10 × 4 − 4 = 36
Voeg een nul toe aan het getal. Bij kommagetallen gebruik je de komma: tien keer 1,5 is 15.
Voorbeeld: 10 × 1,5 = 15
Kies een oefening die past bij het leerjaar en het onderwerp. De uitleg na een antwoord kan helpen om een som opnieuw te bekijken. Wissel vermenigvuldigen af met delen en herhaal later nog eens wat vandaag lastig was.